Blog n.a.v. bijeenkomst ‘Nieuwe rijkdom in de wijken’
Pakhuis de Zwijger, 27 januari 2016

Toen mijn schoonmoeder opeens lichamelijk achteruit ging, werd het dagelijkse eten koken haar te zwaar. De combinatie met boodschappen doen en lang in de keuken staan lukte niet meer elke dag. Toen ze me vertelde regelmatig haar toevlucht te nemen tot kant-en-klaarmaaltijden van de supermarkt vond ik het tijd om in te grijpen. Die maaltijden zijn niet alleen te zout en niet erg vers, ze zijn ook erg duur, voor wat je ervoor krijgt. Dat kon anders. Tijdens een bezoek vulden moeder en zoon (mijn partner) samen het aanmeldformulier in voor Bijzonder Thuisafgehaald. Binnen een paar dagen was het contact gelegd tussen haar en thuiskok Femke. Ze spraken af dat Femke voortaan elke woensdag een maaltijd zou afgeven voor 3 euro per week. Na een paar keer evalueerden ze de gang van zaken, mede op advies van de coördinator van Bijzonder Thuisafgehaald, en beslisten dat Femke voortaan een iets uitgebreidere en ‘rijkere’ maaltijd zou afleveren voor 5 euro per week. Mijn schoonmoeder sloot ook aan bij een eetgroep in het verzorgingshuis en gaat wat vaker uit eten met een vriendin. Dat, samen met familiebezoek in het weekend betekent dat ze gemiddeld nog maar 2 tot 3 keer per week hoeft te koken en dat is goed te doen.

Dit voorbeeld liet mij zien hoe gemakkelijk en effectief de dienstverlening van Bijzonder Thuisafgehaald verloopt. Geen uitgebreide intake of aanmeldingsprocedure, geen hulpverlening over de vloer, maar een snelle match waarbij rekening wordt gehouden met ieders wensen. Minimale overhead en maximale zelfbeschikking maar wel net een duwtje in de rug om problemen te verlichten.

‘Deelplatformen doen waarvoor ze zijn opgericht’, zei Minouche Besters van Stipo afgelopen woensdag in Pakhuis De Zwijger. ‘Ze zijn een praktische oplossing voor een concrete vraag en voorzien in een concrete behoefte’. Dat klinkt zo eenvoudig maar is het zeker niet in de dagelijkse praktijk van zorg en hulpverlening.

Tijdens de bijeenkomst over ‘nieuwe rijkdom in de wijk’ probeerden de organisatoren de dialoog op gang te brengen tussen ontwikkelaars van deelplatformen, het welzijnswerk en de lokale overheid. Op zich een lofwaardig streven maar ook een weg met behoorlijk wat hobbels.

Online deelplatformen zijn sociale innovaties die drie factoren combineren: een technologische, een sociale en een economische. Juist die combinatie leidt tot nieuwe vormen van dienstverlening die blijkbaar in een behoefte voorzien. Tegelijk zijn de platformen nog zo nieuw en onbekend dat het potentieel ervan nog lang niet voldoende benut wordt. Professionals en vrijwilligers in de wijk zouden een rol kunnen spelen om die kansen meer te benutten. Maar zij zijn over het algemeen wel vertrouwd met de sociale aspecten van dienstverlening (mensen activeren en bij de buurt betrekken en een beroep doen op ‘eigen kracht’) maar niet of veel minder met de technologische kant van een platform. Ontwerp, ontwikkeling en onderhoud van een aantrekkelijk, goed werkend platform is een ingewikkelde, tijdrovende en daarom kostbare zaak. Ook de economische aspecten van een platform zijn veel bij lokale welzijnswerkers een stuk minder goed in beeld.

De online deelplatformen van Nederland zijn sociaal ondernemingen en dat betekent dat zij wel een maatschappelijke kwestie willen aanpakken maar niet willen bestaan op basis van subsidies. In plaats daarvan werken ze met verschillende verdienmodellen om de onderneming te financieren. Bovendien is het zo dat platformen pas goed werken als ze een kritische massa aan zich weten te binden, zowel in aantal als in activiteit. Dat betekent dat investeringen nodig zijn om die kritische massa te werven en te activeren en om ze te bieden wat ze verwachten. Door die combinatie van focus op technologie, sociale en economische aspecten is de mindset van de platformondernemers duidelijk anders dan die van veel welzijnswerkers en lokale bestuurders. Ten minste dat bleek tijdens de avond in Pakhuis De Zwijger. In mijn groepje veronderstelde een deelnemer dat deelplatformen alleen maar bestaan ‘om geld te verdienen’ aangezien maaltijden delen betekent dat je die voor niets weggeeft. Een andere deelnemer zei dat dit soort dingen gewoon geregeld wordt via Facebook en Whatsapp en dat platforms niet nodig zijn. Verschillende professionals wilden alle platformen op een hoop gooien, daarbij veronderstellend dat je zo ‘alles voor iedereen’ kan bieden. Zo bleken er behoorlijke verschillen te zitten tussen de gefocuste aanpak van de meeste deelplatformen en de brede blik van veel welzijnswerkers. Ook was een verschil merkbaar tussen het vrijwilligerswerk ‘oude stijl’ met een groep vrijwilligers die op vaste tijden voor vaste taken worden ingezet en het vrijwilligerswerk ‘nieuwe stijl’ waarbij mensen zich incidenteel of projectmatig inzetten voor iets wat ze goed kunnen of leuk vinden om te doen. Voor die laatste groep is een platform een prima manier om matches te maken.

Moeten welzijnswerkers, lokale bestuurders en platformen per se gaan samenwerken? Dat is maar de vraag. Samenwerking lijkt mij alleen vruchtbaar als beide partijen een maatschappelijk probleem ervaren dat ze alleen met inzet van elkaars expertise kunnen oplossen. Anne van Roosmalen van NL Voor elkaar, een deelplatform dat als verdienmodel expliciet kiest voor samenwerking met gemeenten, legde haar strategie uit. “Gebruik van een platform in een wijk of gemeente moet nooit van bovenaf worden opgelegd. Betrokken professionals en vrijwilligers maken ermee kennis door zelf te experimenteren en te ondervinden hoe het werkt. Als eventuele obstakels kunnen worden besproken en rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden, neemt het enthousiasme toe.”

Want welzijnswerkers en platformondernemers hebben natuurlijk veel gemeen. Voor beide partijen geldt dat ze maatschappelijke kwesties willen aanpakken en hun bestaansrecht aantonen aan de hand van sociale impact. Als ze elkaar daarbij kunnen versterken, zullen ze de weg naar elkaar wel vinden.