Wat bedoelen we eigenlijk als we het hebben over Londen? Groot-Londen bestaat uit 32 boroughs, deelgemeenten of stadsdelen met bevoegdheden die vergelijkbaar zijn met een Nederlandse gemeente. De grenzen van Groot-Londen zijn bepaald in 1965, de boroughs zijn samenvoegingen van historische dorpen en parochies met aan elkaar gegroeide nieuwbouw. Een borough heeft minimaal 200.000 inwoners (vergelijkbaar met steden als Breda of Tilburg) en zo kom je aan ruim 8 miljoen inwoners die zich Londoners mogen noemen [i].

Een gemiddelde toerist bezoekt tijdens een stedentrip in ieder geval twee van die boroughs: City of London en City of Westminster en misschien nog een paar meer afhankelijk van tijd en energie. Zoals Kensington voor Kensington Gardens, Southwark voor Tate Modern (wat een fenomenaal museum is dat toch, zowel gebouw als collectie), Camden voor de Camden Town Market en de narrow boats of Tower Hamlets voor Brick Lane. Dat betekent dat er zeker nog zo’n 25 stadsdelen over zijn waar de meeste toeristen niet komen. Deze bevatten misschien geen toeristische hoogtepunten maar hebben wel allemaal een eigen sfeer, historie en stadsontwikkeling.

Wij wonen nu in Brixton, onderdeel van de borough of Lambeth ten zuiden van de Theems. De boroughs zijn in concentrische cirkels gesitueerd rondom het historische en bestuurlijke centrum: City of London en City of Westminster. Lambeth bevindt zich ruwweg in de eerste cirkel en daaromheen is nog een tweede cirkel stadsdelen. Over het algemeen geldt: hoe verder van het centrum, hoe armer de wijk. Een uitzondering daarop de Isle of Dog, een schiereiland aan de oostkant waar een nieuw zakencentrum is verrezen: Canary Wharf een zee van nieuwbouw, prestigieuze kantoren en torenflats. We waren daar woensdag na een treinreis naar Greenwich, een oversteek door een tunnel onder de Theems door en een wandeling langs de rivier. Het is fascinerend hoe daar weer een heel eigen biotoop is ontstaan van wonen, werken en recreëren.

Zo is er een voortdurende dynamiek tussen centrum en periferie zoals dat gaat in de meeste metropolen. Het centrum heeft de periferie nodig voor leveranties van diensten, de periferie is op zoek naar inkomsten. In de praktijk betekent het dat mensen uit de periferie steeds verder moeten reizen (commute) om iets te kunnen verdienen. De wijken in de eerste cirkel worden ontdekt en krijgen te maken met gentrificatie, veel van de oorspronkelijke bewoners worden gedwongen verder naar de rand op te schuiven. Daar komt nog bij dat Londen altijd te maken heeft gehad met migratiegolven en dat migranten met dezelfde achtergrond de neiging hebben bij elkaar in de buurt te gaan wonen. Dat maakt deze stad zo fascinerend omdat je steeds weer andere concentraties van culturen tegenkomt. Hoe dat leven in een besloten gemeenschap binnen zo’n wereldstad is voor de mensen zelf, is moeilijk te achterhalen als je hier maar vier weken als nieuwsgierige toerist rondloopt. Een deel van die informatie vind ik in de literatuur van schrijvers die vanuit hun eigen gemeenschap ervaringen op papier zetten. (Het kan natuurlijk ook in films of series). Een ander deel kun je vinden door onderzoek te doen en dat is natuurlijk ook heel veel gedaan. In het eerder genoemde boek Dit is Londen doet journalist Ben Judah moeite om mensen uit verschillende gemeenschappen aan het woord te laten en een inkijkje te geven in hun dagelijks leven. In zijn boek komen veel mensen uit die buitenste ring aan het woord maar ook de Filipina’s die werken in de huishoudens van de rijke Arabieren en Russen in luxe wijken als Knightsbridge, Mayfair en Belgravia.

Donderdagavond maakten we een wandelingetje door Chelsea en Belgravia, de ambassadewijk met wit gesausde villa’s met brede portalen met zuilen en bordessen. De stoepen keurig recht en schoon, de huizen opgeknapt en goed in de verf, de mensen op straat wit en welvarend en, heel opvallend, de straten vol met luxe auto’s als Porsches, Ferrari’s en Jaguars maar geen bussen. In deze wijken gaan de inwoners niet met de bus. De buslijnen, in andere wijken zo dik gezaaid, zijn hier afwezig. Je vraagt je dan wel af: hoe komt de particuliere chauffeur, de schoonmaker en de huisknecht op zijn of haar werk?

Ik heb het misschien al eerder gezegd: Londen is heel druk en rumoerig maar de stad is ook heel groen. Overal zijn parken, greens en commons [ii], overblijfselen van de gemeenschappelijke weidegronden die vroeger bij een dorp of parochie hoorden en die nu door de overheid beheerd worden en bedoeld zijn voor recreatie. Het park aan het eind van onze straat, Brockwell Park, is ook zo’n fijne plaats waar je rust en ruimte kunt vinden. Die parken worden heel goed benut, door ouders met kleine kinderen, mensen die hun hond(en) uitlaten (heel gek maar ik ben hier veel minder bang voor de honden, heb de indruk dat de baasjes ze beter in bedwang hebben) en er wordt veel gesport en getraind. Een paar dagen geleden deden we nog een rondje door ons park en zagen een groep jongens die bezig waren met hun voetbaltraining. Ik maakte een foto van ze want ze deden me denken aan het boek dat ik net uit had: The Last White Man, de nieuwe roman van Moshin Hamid, ook beschikbaar in Nederlandse vertaling [iii]. Op zijn kenmerkende manier vertelt Hamid wat er gebeurt als mensen van kleur veranderen. De magie van het boek zie je hier op straat als je je door de stad beweegt en ziet hoe wijken van kleur veranderen. Ik vraag me af hoe het is voor deze kinderen en jongeren die opgroeien met klasgenoten en teamleden bij de sportclub met allemaal verschillende achtergronden. Verliezen die kleuren en achtergronden hun belang, gaat ze op in een smeltkroes van het dagelijks leven in Londens met een eigen taal [iv] en gewoonten? Als we het verhaal van Hamid volgen, kan het zeker zo gaan.

Vrijdagmiddag besloten we het weekend ontspannen te beginnen met een lunch in de overdekte markt Brixton Village. Van alle mogelijkheden: Jamaicaans, Caribisch, Mexicaans, Italiaans, Spaans enz. kozen we voor het Ethiopisch, Eritrese eethuisje waar het eten op een schaal wordt geserveerd en je bord – een sponzige pannenkoek- tegelijk je bestek is. De jonge Eritrese vrouw die voor ons kookte en de maaltijd serveerde, sprak ons aan in het Nederlands. Ze was geboren en getogen in Rotterdam Schiebroek en op haar vijftiende verhuisd naar Londen. Nu woonde ze hier alweer 15 jaar met man en kinderen. Van haar oma leerde ze koken, van de Engelse opleiding boekhouden en bedrijfsvoering en nu runde ze haar eigen eethuisje in Brixton. Ze vertelde dat ze nog veel contact had met haar familie in Nederland, daarom sprak ze de taal nog zo goed. Als haar familieleden naar Londen kwamen, zeiden ze na een paar weken: Het is hier leuk maar te druk. Als ze zelf terugging naar Rotterdam, vond ze het ‘leuk maar te rustig’.

Dit weekend hadden we bezoek, onze zoon Aron de reiziger, bracht een bliksembezoek. Samen met zijn vader ging hij op zondag de stad verkennen. Ik moest afhaken, een ontstoken hiel maakte me even minder mobiel. Heel jammer natuurlijk maar inmiddels ben ik het hier zo goed gewend dat het voelt als een rustig dagje thuis.

Toen Ralph Aron vannacht naar de bus bracht op weg naar een vroege vlucht, ontdekte hij dat dit inderdaad een stad is die nooit slaapt. Feestgangers, fietsers, wandelaars en pizzakoeriers zorgen voor leven en beweging op straat, ook de nachtbus zat zeker half vol. Op de terugweg stond Ralph opeens oog in oog met een andere stadszwerver: hij keek even dreigend maar liep toen onverschillig verder, in een landerig tempo zwaaiend met zijn dikke staart: de stadsvos van Brixton Road!


[i] Veel van deze informatie heb ik verzameld uit de leuke en leerzame YouTube video’s van Jay Foreman onder de titel Unfinished London.

[ii] Over de commons, vroeger en nu, leerden we tijdens een wandeling door de The Great North Wood, een bosgebied bij Streatham Common, ongeveer een half uur met de bus bij ons vandaan. Stukjes eikenbos, grasvelden en een park met een heuse Libanese ceder, vormen een heerlijk recreatiegebied aan de zuidkant van de stad.

[iii] De Laatste Witte Man, uitgave van De Bezige Bij. De Engelse uitgave is lekker fel met fluorescerend oranje en roze binnenwerk. De liefhebbers van het werk van Hamid komen helemaal aan hun trekken in dit boek, zijn vijfde roman alweer.

[iv] Er is al zo’n taal, Street, de taal van de Londense multiculturele jeugd die het Cockney als straattaal heeft verdrongen.