Zicht op veelheid en diversiteit van economische praktijken

Al jaren kijk ik met gemengde gevoelens naar het economische vakgebied. Enerzijds merk ik twijfel en ongenoegen omdat veel economische veronderstellingen – de homo economicus is alleen uit op eigenbelang, gerichtheid van bedrijven en landen op winst en groei – volgens mij absoluut geen recht doen aan de veelzijdigheid en veelkleurigheid van mensen, ondernemingen en samenlevingen. Anderzijds heb ik last van enige jaloezie op economen en bedrijfskundigen omdat economische transacties een belangrijk onderdeel uitmaken van ons (over)leven en ik daarover niet heb doorgeleerd. Ik ben geen econoom, geen bedrijfskundige, geen management- of marketingdeskundige.

Mede door deze gemengde gevoelens ben ik al jaren geïnteresseerd in ondernemerschap, vooral duurzaam, maatschappelijk verantwoord en sociaal ondernemerschap. In die maatschappelijke fenomenen komen immers verschillende drijfveren samen: de wens om een florerend bedrijf op te zetten dat mooie producten en diensten levert en werkgelegenheid biedt en zo constructief bijdraagt aan de samenleving, de wens van persoonlijke zingeving en de wens om het economische domein vorm te geven. Het veld van ondernemerschap heeft van oudsher een wat moeizame relatie met het economische vak. Het mensbeeld van economen wordt niet altijd waargemaakt door ondernemers. Natuurlijk, er zijn ondernemers die vlug en veel geld willen verdienen maar er zijn veel meer ondernemers die verschillende dimensies aanbrengen aan hun ondernemerschap. En dat maakt het voor mij interessant. Ondernemers en ondernemingen die door hun praktijken, economische veronderstellingen openbreken en van een nieuwe, andere inhoud voorzien.

Toch bleven ook bij het onderzoek naar ondernemerschap mijn gemengde gevoelens. Want ook hier komt het kapitalistische ideaalbeeld weer snel naar boven, let maar eens op de dominante aandacht, -ook in het veld van sociaal ondernemen- voor businesscases, businessmodellen, verdienmodellen, grote investeringen (‘wie haalt het meeste geld binnen?’) en succesverhalen. Kapitalisme is nu eenmaal een sterk merk, het kapitalistische discours is aansprekend en aantrekkelijk, we praten graag over succes en groei  en geld is een heldere meetbare valuta die veel vragen en dilemma’s gladstrijkt. Immers, ‘als ze er zoveel geld insteken, zal het bedrijf wel deugen’ en ‘als zoveel winst wordt gemaakt, zal het bedrijf het wel goed doen’. De recente aandacht voor impact veronderstelt dat een bedrijf op meer wordt afgerekend dan alleen winst en groei maar aan de andere kant worden veelal monetaire termen gebruikt om die impact uit te drukken.

Mijn vraag blijft: kunnen we onderzoek doen naar ondernemen en naar economische praktijken en tegelijk het dominant economische, kapitalistische, discours verruimen? Kunnen we de economische praktijken van ondernemers, burgers en consumenten zo beschrijven dat veel meer de nadruk komt te liggen op hun bijdragen aan de samenleving en veel minder op die aan het eigenbelang?

Die vraag werd opnieuw actueel toen ik me ging verdiepen in de deeleconomie. Transacties in de deeleconomie lijken op het eerste gezicht een vergaande disruptie mogelijk te maken op de ‘business as usual’. In de deeleconomie gaan we immers niet uit van schaarste maar van overvloed, de afgebakende rolverdeling tussen producenten en consumenten wordt vloeiend en het uitgangspunt van interacties en zaken doen is niet wantrouwen maar vertrouwen. Iedereen kan meedoen aan de deeleconomie en zich in dit veld ontwikkelen: van incidentele naar regelmatige gebruiker en/of van deler naar micro-ondernemer. In de deeleconomie verschuift ook de aandacht van de individuele ondernemer naar de community. Ondernemers in de deeleconomie, de initiatiefnemers van deelplatforms en deelinitiatieven, kunnen niets en komen nergens zonder een substantiële groep actieve gebruikers. De rol van de ondernemers wordt dan veel meer faciliterend en dienstverlenend en lijkt niet op die van hero entrepreneur die we wel in de managementliteratuur tegenkomen.

Maar ook op rondom het fenomeen deeleconomie kwam het dominante kapitalistische en managementdiscours weer snel opzetten. Er verschenen richtlijnen voor succesvolle businessmodelen in de deeleconomie en de deeleconomie door deskundige economen de maat genomen op economische levensvatbaarheid.  Ik kwam daarvan pas een opvallende voorbeeld tegen: het rapport van het Economische Bureau van de ING (juni 2015). De drie opstellers van het rapport, alle drie senior economen, beginnen ermee het veld van de deeleconomie te beperken. Het gaat volgens hen alleen om het onderling delen van onbenutte goederen en dat dan tegen betaling. In de praktijk gaat het dan om gereedschappen, auto’s en huizen die via deelplatforms worden gedeeld. Zelfs met deze beperking constateren zij dat meer dan een half miljoen Nederlandse huishoudens in 2015 hebben meegedaan met de deeleconomie. Zij laten dan gemakshalve alle deelacties die niet via platformen, niet door middel van geld en niet op basis van goederen in NL hebben plaatsgevonden, achterwege. Want, zo is hun redenering, die vallen niet onder de economie. Verder maakt het rapport onderscheid tussen financiële en niet-financiële motieven om mee te doen. De niet-financiële vallen uiteen in sociale en idealistische. Deze indeling is nogal dualistisch en laat weinig ruimte voor de veelheid aan drijfveren en effecten die deelnemers aan deelplatforms kunnen ervaren. Maar ja, de economie heeft nu eenmaal een beperkt mensbeeld.

Interessant wordt het rapport pas echt als de gevolgen van de deeleconomie aan de orde komen. De impact op het BBP is nu nog nihil maar kan groter worden bijvoorbeeld omdat consumenten ‘verdiend of uitgespaard geld’ elders uitgeven. Dit is een merkwaardige redenering als je veronderstelt dat veel gebruikers van de deeleconomie dit juist doen omdat ze geen geld hebben om goederen en diensten op een andere manier aan te schaffen en/of omdat ze het beetje geld dat ze mogelijk verdienen of uitsparen, hard nodig hebben voor hun levensoverheid. Volgens de opstellers van het rapport is de deeleconomie echter een speeltje van stedelingen en hoogopgeleiden die meedoen omdat ze het leuk vinden. Vanwege de beperkte definitie van de deeleconomie, is het voor de hand liggend dat deze groep komt bovendrijven. Zo volgt het rapport een cirkelredenering. Als je eerst de deeleconomische praktijken beperkt, zie je daarna een beperkte doelgroep en kom je tot de conclusie dat de deeleconomie niet disruptief werkt. Volgens dit rapport blijven bedrijven gewoon op dezelfde manier functioneren en kunnen ze, als ze deelplatforms als concurrent ervaren, zich gaan richten op doelgroepen die niet zoveel voelen voor delen, bijvoorbeeld ouderen. Of ze zetten zelf een ‘concurrerend platform’ op. In de visie van de ING-economen moet ‘het’ bedrijfsleven de strijd aangaan met ‘de’ deeleconomie. Wat een treurige voorstelling van zaken.

Dit gaat volledig voorbij aan het feit dat de deeleconomie onderdeel is van een bredere beweging aangeduid als collaborative economy of civic economy waar overheden, ondernemingen en burgers samenwerken om de kwaliteit van de samenleving te verhogen.

Ook de impact van de deeleconomie op de overheid wordt in dit rapport eenzijdig voorgesteld:  deze zal vooral btw-inkomsten mislopen omdat minder nieuwe producten worden geconsumeerd. De overheid wordt hier voorgesteld als grote belastingslurper die er alleen maar op uit is de consumptie op te jagen. Ook weer een treurig en eenzijdig beeld. Bij uitstek de overheid is toch de partij die zich bezighoudt met gezamenlijk welzijn. Initiatieven in het kader van de deeleconomie kunnen veel maatschappelijke impact hebben, op persoonlijk, sociaal en ecologisch niveau. De bereidheid van mensen om voor elkaar te zorgen en met elkaar te delen op basis van vertrouwen, is al eeuwen de sociale lijm van een samenleving en onbetaalbaar voor een overheid. Als deze lijm ontbreekt, kost het heel veel (maatschappelijk) geld en inspanning om fragmentatie en verbrokkeling enigszins te lijmen. Hebben de economen van de ING daar geen boodschap aan? Blijkbaar niet, want zij stellen: ‘als je weinig bezit, kun je minder aanbieden’. Een klap in het gezicht van armen, gehandicapten, veel ouderen en anderen die hiermee gediskwalificeerd worden op basis van hun (gebrek aan) bezit. Terwijl een collaborative economy juist gericht is om de kracht van het collectief te benutten en uit te gaan van overvloed. Die overvloed zit niet in individuen en individueel bezit maar in de gezamenlijkheid en wederkerigheid. Deelplatforms maken inzichtelijk dat je de ene keer wat kunt bijdragen, de andere keer wat kunt vragen. En vragen is geen schande, het is juist de smeerolie waarop de gezamenlijkheid kan draaien.

Blijft het dan zo dat de economie deze intermenselijke en gezamenlijke, maar ook economische,  waarden en praktijken buiten beschouwing moet laten en niet kan incalculeren?

De afgelopen maanden heb ik me uitgebreid verdiept in de diverse economies benadering, een onderzoeksprogramma dat erop gericht is het veld van economische praktijken in de volle breedte te bestuderen en daarmee een kritische noot te plaatsen bij de gangbare kapitalistische, business as usual benadering. In dit onderzoeksprogramma worden economische praktijken gerubriceerd in de categorieën eigendom, financiën, transacties, werken en ondernemen. In de categorie ‘ondernemen’ is er ruimte voor kapitalistische, alternatief kapitalistische en niet-kapitalistische vormen. In de categorie ‘werken’ wordt gekeken naar betaalde, alternatief betaalde en onbetaalde arbeid en bij transacties wordt onderzoek gedaan naar transacties via markten, via alternatieve markten en zonder markten. Eigendom wordt benaderd via de indeling: privé-bezit, alternatief privé en vrije toegang (open access). Als onderzoekers op zo’n manier naar economische praktijken kijken, brengen ze een veel breder spectrum en gamma in beeld en krijgen zo een veel ruimer zicht hoe mensen zichzelf en hun leefomgeving in stand houden. Met deze inclusieve manier van in kaart brengen, bestuderen en in het licht zetten, komen alle activiteiten in beeld van burgers, consumenten, bedrijven en overheden om de samenleving  overeind te houden en vorm te geven. Niet alleen de moreel hoogstaande zoals schenken en delen, en ook niet alleen de business as usualpraktijken van de kapitalistische markteconomie maar ook praktijken als slavernij, diefstal, stroperij, protectionisme, ruil, zwarte markt en belastingontduiking. Al die praktijken die bijdragen aan overleven, die een identiteit vormgeven en die een bijdrage leveren aan onze manier van samenleven. Door deze diverse economiesbenadering heb ik eindelijk een aanvaardbare verhouding tot de economie gevonden. Niet alleen op basis van moraal en ethiek en ook niet alleen op basis van dominant kapitalistisch discours maar gefundeerd in  een brede verkenning van wat er gaande is in de samenleving en hoe verschillende arrangementen voeding geven aan nieuwe, diverse praktijken.

Als je bijvoorbeeld een deelplatform beschrijft en analyseert met de diverse economies- indeling is het werkelijk verbazend hoeveel uiteenlopende praktijken zo’n platform faciliteert en mogelijk maakt. En  het is heel verhelderend  om een sociaal onderneming te onderzoeken op basis van de praktijken waarmee deze onderneming de business as usual ter discussie stelt, vernieuwt, verbreedt of verrijkt. Met deze onderzoeksbenadering kan het innovatiepotentieel van sociaal ondernemingen, deelplatforms, buurtbedrijven, wijkcoöperaties en al die andere organisaties die de economie willen reframen, recht worden gedaan. Daarnaast kunnen sommige praktijken meer in detail worden bestudeerd om te zien hoe ze kunnen worden versterkt, verspreid en verrijkt.

Op die manier kunnen onderzoekers bijdragen aan de pogingen van burgers, ondernemers en consumenten om de economie te reframen en te laten zien dat we allemaal in gezamenlijkheid veel meer in onze mars hebben dan de dominante praktijken van de business as usual veronderstellen.