De laatste tijd verkeer ik nogal eens in verschillende werelden. In de ene wereld zijn begrippen als deeleconomie en circulaire economie volkomen ingeburgerd, mensen in die wereld geven de voorkeur aan toegang boven bezit, lenen hun spullen via Peerby, halen maaltijden af bij Thuisafgehaald, betalen liever voor zituren dan voor stoelen en zijn gek op delen, lenen en ruilen. Ondernemers combineren moeiteloos economisch resultaat met publieke taken en sociale samenhang. Men zoekt samenwerking met overheden, bedrijven en instellingen, werft geld via crowdfunding of doet een aanvraag bij een maatschappelijke investeerder. Deze wereld maakt een actieve, energieke en optimistische indruk. Hij is ook klein, veel mensen kennen elkaar en komen elkaar steeds weer tegen. Ze spreken elkaar op bekende fora en bevestigen daar elkaars inzichten en ideeën.

Die andere wereld kom ik tegen in klaslokalen en collegezalen. Ik ben daar voor een gastles of presentatie over duurzaam ondernemen, sociaal ondernemen of de deeleconomie. Belangstelling voor die onderwerpen is er dus wel, in ieder geval nieuwsgierigheid. Maar de wereld die ik daar tegenkom, is toch heel anders. In de eerste plaats is er grote onbekendheid: veel begrippen die in die eerste wereld overbekend zijn, zijn hier nieuw, vreemd en soms onthutsend. Je auto uitlenen aan een vreemde, geen wasmachine kopen maar betalen per wasbeurt, een maaltijd afhalen bij een onbekende thuiskok, een winkel waar je alleen kunt ruilen, een onderneming die liever kwalitatief dan kwantitatief wil groeien, een zorgcoöperatie, energiecoöperatie of voedselcollectief; allemaal fenomenen die voor veel studenten en hun docenten nieuw en overrompelend zijn. Hun dagelijkse leven draait niet om die maatschappelijke kwesties en net zomin om de deeleconomie of circulaire economie. Niet dat ze daartegen zijn, dat is meestal niet zo, maar het maakt geen deel uit van hun bestaan. Ze merken er niets van, horen er niets van en zijn er niet mee bezig.

Of zoals een student opmerkte: ‘De maaltijdboxen van Hello Fresh ken ik wel, maar van een coöperatief bedrijf als Beebox heb ik nooit gehoord.’ En iemand anders zei: ‘De ondernemers van Fairphone hebben wel een mooi verhaal maar ik koop toch liever een telefoon van het merk dat ook mijn vrienden hebben.’

In die tweede wereld is er niet alleen onbekendheid maar ook twijfel. Men plaatst vraagtekens bij veel nieuwe initiatieven en er klinkt cynisme. Hoe staat het met de goede bedoelingen van sociaal ondernemers en met de sociale kant van de deeleconomie? Bovendien wordt de urgentie van sociaal of duurzaam ondernemen niet gevoeld, het klinkt eerder ingewikkeld, omslachtig en ondermijnend voor de dagelijkse business en het dagelijkse gemak. Ook de deeleconomie lijkt voor veel particulieren ver gezocht. We kunnen goederen en diensten toch snel en gemakkelijk aanschaffen, waarom dan die moeite doen van lenen, ruilen of delen? De verandering die in de ene wereld als overduidelijk en onomkeerbaar wordt gepresenteerd, is in de andere wereld onbekend, niet relevant of ongemakkelijk.

Wie of wat moet ervoor zorgen dat die werelden niet steeds verder uit elkaar drijven? Dat de kleine wereld van de voorhoede zich distantieert van de veel grotere groep potentieel geïnteresseerden die tegelijk behoudend zijn en niet meteen hun leefstijl willen omgooien?

Moeten we eerst wachten op grote marketingbudgetten zodat nieuwe initiatieven een platform krijgen of kunnen we met goede voorbeelden en laagdrempelige opties ook geleidelijk verschuivingen tot stand brengen? Moet de overheid door regels en subsidies de urgentie om te delen en te verduurzamen van bovenaf opleggen of moeten we iets verwachten van belastinghervorming? Of zit het toch in nieuwe verdienmodellen die duurzame prestaties belonen en onduurzame bestraffen? Maar ja, wie deelt die straf dan uit? Het is moeilijk om erachter te komen hoe iets van onbekend en vreemd, mainstream wordt en wat daar bij komt kijken. Hier is veel over gedacht en geschreven maar echt een helder traject is er niet. Daarvoor lopen de belangen te ver uiteen en zijn betrokken partijen te ongelijksoortig.

Als betrokkene en observator, wandel ik graag van de ene wereld naar de andere. Voel me in beide werelden soms goed thuis en soms ook heb ik twijfels en kritische kanttekeningen. Voorlopig beweeg ik me nog een beetje heen en weer, doe overal inspiratie op en probeer inspiratie door te geven. Van en aan elkaar leren, dat is mijn motto en dat kan gelukkig overal.